De moderne mens worstelt met een gewetensvraag: mag ik nog vlees eten? Pijnigen we ons geweten terecht of kan een sappige entrecote op zijn tijd geen kwaad? Reinout Burgers, ooit vegetariër en nu overtuigd carnivoor, dook in zijn eigen ziel én in de wetenschap voor een antwoord.
‘Hierdie beesvleis kom uit eindelose Karoo uit’, vertelt haar vader. ‘Dit proe ’n bietjie anders as in julle kaaskoppieland.’ Hij lacht met een delicaat gevoel van Zuid-Afrikaans understatement.
Het is mijn eerste avond in Zuid-Afrika. Ik zit aan een grote tafel waar prachtige gegrilde stukken vlees en andere dampende lekkernijen aanlokkelijk staan uitgestald. De familie van mijn Zuid-Afrikaanse vriendin, die ik een half jaar daarvoor in Zuid-Frankrijk had ontmoet, verwelkomt mij met de traditionele Afrikaanse braai.
Nog vlak voor het aanschuiven, houd ik vol dat ik vegetariër ben. Haar familieleden kijken mij meewarig aan. En terecht! Vijf jaren van vegetarische volharding smelten in vijf minuten als het vet van de T-bone steak, die spetterend en sissend van het kolenvuur op tafel wordt gezet. Bij de eerste voorzichtige neusproeverij verander ik weerloos van een preuts vegetarische gelovige in een heidense vleesfanaat. In mijn jaren in Zuid-Afrika heb ik zelfs gejaagd en als een bloeddorstige het rauwe, bijna kloppend hart van een impala opgegeten als verplicht Afrikaans jachtritueel.
‘Mijn geweten knort in mijn ziel als de honger naar vlees in mijn maag.’
Ooit was ik vegetariër, bijna vijf jaar lang. In mijn studententijd bleek het met een spaarzaam budget lastig om diervriendelijk vlees te kopen. Ik werd vegetariër, omdat ik vond dat dieren een vriendelijk leven mochten leiden en in de toenmalige landbouwpraktijk leek dat een verre wereld. Vijf jaar lang elke dag vleesvervangers eten. Erwten, bonen, falafel, groenteburgers, tofu, tempé en af en toe een visje. Nu ben ik een carnivoor pur sang, die van een goed stuk vlees kan genieten. Mooi mals vlees dat je dit met de achterkant van het mes kunt snijden. Goed dooraderd met intramusculair vet en stevig van smaak, zo van het houtvuur. Het liefst ‘blue’, zoals de Fransen tegen een bloedrood gebakken entrecote zeggen.
Sinds mijn wederopstanding als carnivoor en mijn terugkeer naar Nederland knaagt het geweten aan mijn nieuw verworven eetlust. Vlees eten in Nederland is een ‘doodzonde’ geworden. Een klein stukje vlees, een paar keer in de week, moet volgens de Hollandse norm meer dan voldoende zijn – en is eigenlijk nog teveel. Niet alleen vanwege ethische motieven over dierenwelzijn, maar ook omdat het eten van vlees tegenwoordig niet als duurzaam en milieuvriendelijk wordt gezien.
Mijn geweten knort in mijn ziel als de honger naar vlees in mijn maag. Mag ik vlees eten of moet ik mijn stukje dood dier laten staan om de wereld te redden en net als in mijn studentenjaren vegetarisch worden?
Evolutionair voordeel
De mens is een omnivoor. Sommige ‘meat lovers’ en – waarschijnlijk vleesetende – wetenschappers beweren zelfs dat wij carnivoren zijn. Als je het menselijke maagdarmstelsel vergelijkt met dat van de zuivere carnivoren is de mens het perfect evolutionaire voorbeeld van een omnivoor met een hoge mate van voorkeur voor vlees.
Dat vlees en mens een onlosmakelijke evolutionaire band met elkaar hebben, ontdekten wetenschappers van de universiteit van Lund in 2012. De Zweden vergeleken 67 soorten zoogdieren, waaronder mensen, apen, orka’s en muizen. Ze vonden een duidelijk verband tussen vlees eten en de leeftijd tot wanneer nakomelingen worden gezoogd. Soorten die vlees eten, verkorten de zoogtijd zodat de volgende zwangerschap vroeger kan plaatsvinden. Dit heeft een zeer grote invloed gehad op de verspreiding van de menselijke soort.
De overstap van onze aapachtige voorvaderen van voornamelijk vegetarische omnivoor naar een bestaan als carnivoor maakte ook de explosieve ontwikkeling van de hersenen mogelijk. Tussen één en twee miljoen jaar geleden verdrievoudigden die in omvang. Daarmee kreeg de mens ook het vermogen om werktuigen te ontwikkelen om efficiënter te jagen en methodes om de voedselvergaring te vergemakkelijken.
Uit een recente studie, gepubliceerd in het tijdschrift Nature, bleek eveneens dat de evolutie van de menselijke hersenen niet mogelijk zou zijn geweest zonder het eten van vlees. Het rapport stelt dat vlees minder kauwkracht per calorie vereist dan eten van het zwaar plantaardig voedsel van de vroege mensachtigen. Minder kauwen en de calorierijke, voedzame voordelen van het vlees hebben een grote rol heeft gespeeld in de evolutie van het gezicht en tanden, in de ontwikkeling van de spraakorganen, motoriek, thermoregulatie en de grootte van het menselijk brein.
Neurowetenschapper Suzana Herculano-Houzel aan de Federale Universiteit van Rio de Janeiro, berekende dat het toevoegen van neuronen aan de primaathersenen op een vaste ‘kostprijs’ van ongeveer 6 calorieën per miljard neuronen ligt. Als de plantaardig etende gorilla’s mensachtige hersenen zouden gaan ontwikkelen, hebben ze 733 calorieën per dag extra nodig. Daarvoor moeten ze nog eens twee uur extra besteden aan foerageren, terwijl ze al 80 procent van hun tijd besteden aan het zoeken naar eten. En ze hebben maar twaalf uur daglicht in de tropen…
Vanuit evolutionair en fysiologisch oogpunt kan ik dus met een gerust geweten vlees eten. Dat de mens zijn evolutie aan vlees te danken heeft, betekent echter niet dat onze toekomst er ook van afhangt. We kunnen weer in echte omnivoren veranderen met vooral plantaardige voedingsstoffen. Er zijn tegenwoordig voldoende voedselproducten in de winkels verkrijgbaar die het vlees kunnen vervangen. Bovendien investeren mensen als Bill Gates miljarden in het ontwikkelen van kunstvlees op basis van weefseltechnieken. Directeur van Varkens in Nood, Hans Baaij, denkt dat daar de toekomst van mens en dier ligt. Zelfs staatssecretaris Van Dam stelde 1,8 miljoen euro beschikbaar voor onderzoek naar kunstvlees.
Artificieel vlees is altijd nog beter dan geen vlees, maar ik weet het niet. Een hotdog, diepvrieshamburger of kipnugget kan natuurlijk mijn honger stillen, maar ik vrees dat het nog heel lang zal duren voordat kunstvlees de smaak en textuur van een Karoo-koe zal evenaren. Tot dan blijf ik verlangen naar de authentieke smaakbeleving, hoeveel kunstnuggets ik ook opgepeuzeld heb.
De hele waarheid
Intussen verkondigen natuur-, milieu- en dierwelzijnsorganisaties met de passie van een prediker dat vlees eten het milieu verontreinigt, de natuur aantast door roofbouw en de wereldvoedselzekerheid ondermijnt. Hun redenering is dat voor de productie van vlees heel veel hectares grond nodig zijn om granen en ruwvoer te verbouwen. Het is veel efficiënter om geen vlees meer te eten en de akkerbouwgewassen direct voor menselijk consumptie te telen.
Dat is een onweerlegbaar feit, maar die organisaties vertellen niet de hele waarheid, want niet alle grond waarop vee gehouden wordt, is geschikt voor de teelt van gewassen. In Nederland kennen we de veenweidegebieden in Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Friesland. Ruim 220 duizend hectare, ofwel grofweg 10 procent van het landbouwareaal, kan vanwege drassigheid alleen voor ‘grazende’ veeteelt worden gebruikt. Stoppen we met het eten van runderen en schapen, dan kan hier geen landbouw bedreven worden, want ook bij melk- en wolproductie worden dieren geslacht en gegeten. Deze gronden worden dus onttrokken aan de productie van voedsel.
Over de hele wereld zijn er onvruchtbare en onherbergzame gebieden die ongeschikt zijn voor de teelt van plantaardig voedsel, maar waar dieren wel kunnen overleven die voor de lokale bevolking de belangrijkste voedselbron zijn. Die gebieden zouden zonder het eten van vlees onbewoonbaar worden of de bevolking uithongeren.
In haar proefschrift stelt Hannah van Zanten dat het niet duurzaam is om vlees helemaal van het menu te schrappen. Veganisten gaan de wereld niet redden. Volgens Van Zanten zijn natuurlijke weilanden niet geschikt voor voedselgewassen en verteren dieren gras en kruiden beter dan de mens. Bovendien draagt het gebruik van bijproducten, zoals soja- en koolzaadschroot, bietenpulp of bierbostel bij aan het verminderen van het landgebruik en kunnen ook de reststromen van de voedselproductie en -consumptie (voedselverspilling) gebruikt worden als veevoer, vooral voor varkens.
Met minimale verspilling in de voedselketen zou de mens 71 gram varkensvlees per dag (14 gram eiwit) duurzaam kunnen eten. Dat is exclusief de dierlijke eiwitten van de natuurlijke weilanden. Worden ook graaslanden duurzaam benut door herkauwers, dan kan de mens nog eens 7 gram dierlijke eiwitten per dag meer eten. In totaal dus 21 gram, ofwel een derde van de aanbevolen hoeveelheid eiwit dat een persoon dagelijks nodig heeft.
Tot een soortgelijke conclusie komt een Amerikaanse rapport over de draagkracht van de binnenlandse landbouwgronden. De onderzoekers stellen dat een veganistisch dieet tot minder duurzaam landgebruik leidt dan het dieet van een omnivoor. Het meest efficiënt is een vegetarisch dieet met een beetje zuivel en vlees. Flexitarisch wordt dus het nieuwe vlees eten en gaat de wereld redden van de verdoemenis.
Een onbewuste flexitariër
Mijn geweten is gesust. Bewust minder vlees eten is het motto, en eigenlijk doe ik dat al sinds mijn terugkeer naar Nederland, omdat vlees hier smakeloos is. Wie ooit met de achterkant van zijn mes een ‘blue’ stukje entrecote heeft gesneden dat vers van de gril komt en dit met zijn ogen dicht heeft gegeten om zich op de smaakpapillen te concentreren, weet precies wat ik bedoel. Elk supermarktbiefstukje is een teleurstelling. Tegenwoordig krult het varkensvlees in de pan van het vele vocht of het stinkt naar berengeur. Een taaie lap stoofvlees of oude legkip smaken in het suddersap zoveel beter en zijn duurzamer.
In plaats van flauwe retailkiloknallers eet ik liever een overrijpe avocado met volle crème fraîche, een vleugje zout en peper of een stevige gegrilde pompoen met komijn, jalapenos en geroosterde pecannootjes, of kikkererwten met honing, mosterd en knoflook. Ik kan mijzelf daarom een onbewuste flexitariër noemen. Niet vanuit principe, maar om zintuigen te blijven prikkelen met echte lekkernijen.
Er rest nog één gewetensvraag en dat is een ethisch dilemma. Mag de moderne mens een dier doden om op te eten, terwijl er voldoende voedzame alternatieven bestaan? Die vraag is diepgaand filosofisch. Er is geen korte uitleg. Noch wetenschappers, noch ik hebben een eensluidend antwoord. Het is een persoonlijke keuze die je zonder vooroordeel moet kunnen maken. Voor mij is dit een keuze die ik maak met veel respect voor het dier.
Dit artikel verscheen eerder in Vork, een platform met prikkelende opinies over de voedselketen.