BSE grijpt om zich heen en stuurt miljoenen dieren de ‘vernietiging’ in. Onderzoekers speuren naar de oorzaak van de gekkekoeienziekte. Inderdaad, een gekke ziekte, want ondanks alle stelligheid is een afdoende verklaring nog niet gevonden. Wél is duidelijk wie de belanghebbenden zijn bij de gangbare theorie – en dat zijn niet de koeien, en ook niet de consumenten. Er is alle reden tot gezond wantrouwen, en daarom is het noodzakelijk serieus naar alternatieve verklaringen te zoeken. Want BSE is een boodschap voor de moderne samenleving.
Tijn Touber | 37 maart/april 2001 issue
De nieuwste koeienziekte heet Boviene Spongiforme Encefalopathie (BSE). Een mondvol om aan te geven, dat hersenen worden weggevreten en veranderen in een sponsachtige massa. De gekkekoeienziekte wordt veroorzaakt door een stapeling in de hersenen van eiwitten die van vorm zijn veranderd. Men vermoedt dat het eten van vlees van een gekke koe – vooral het ruggenmerg en de hersenen – in de mens een nieuwe vorm van de ziekte van Creutzfeldt-Jakob (Engels: Creutzfeldt-Jakob disease, afkorting CJD) kan veroorzaken. Deze vorm van CJD werd voor het eerst vastgesteld in 1996 in Groot-Brittannië. Sindsdien hebben 89 vooral jonge mensen deze dodelijke vorm van dementie gekregen: 85 in Groot-Brittannië, 3 in Frankrijk en 1 in Ierland. In Nederland is BSE voor het eerst in 1997 bij een bijna zesjarige koe op een bedrijf in Wilp vastgesteld. In totaal zijn er inmiddels een tiental gevallen bekend. Doordat vanaf 1 januari 2001 alle runderen ouder dan dertig maanden in het slachthuis de nieuwe, snelle BSE-test ondergaan – het testen van dieren jonger dan dertig maanden is niet zinvol, omdat door de lange incubatietijd de ziekte dan nog niet is aan te tonen – ligt het voor de hand, dat er de komende tijd meer BSE-gevallen worden ontdekt. In de Europese Unie heeft 99 procent van alle BSE-gevallen zich voorgedaan in Groot-Brittannië. Daar zijn sinds 1986 ongeveer 180.000 runderen met BSE aangetroffen. Door drastische maatregelen loopt het aantal gevallen per jaar inmiddels terug: van ruim 36.000 in 1992 naar 2.600 in 1999 en ruim 1.200 in 2000. Maar intussen blijkt de ziekte in heel Europa voor te komen, alleen Scandinavië is vooralsnog clean.
De ziekteverwekkende eiwitten (prionen) komen niet in het hele dier voor. In Nederland is het verwijderen van de risico-organen bij de slacht in 1997 verplicht ingesteld. Sinds 1 oktober 2000 geldt dit ook voor alle Europese lidstaten. Door deze strenge maatregelen lijkt de potentiële epidemie op het eerste gezicht dus nogal mee te vallen en onder controle te zijn. Maar de schijn zou wel eens kunnen bedriegen. Ten eerste omdat ‘de ideale test niet bestaat’, aldus onderzoekers van het Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid in Lelystad (ID-Lelystad), die belast zijn met het analyseren van alle hersenstammen van Nederlandse runderen. En ten tweede omdat de incubatietijd – de periode tussen de besmetting met BSE en de eerste symptomen van CJD – onbekend is. Het is dus niet te voorspellen hoeveel gevallen van CJD zich in de toekomst nog zullen voordoen. Gerard Jansen, neuropatholoog in het Universitair Medisch Centrum Utrecht, houdt voor de overheid het aantal CJD-gevallen bij. Hij vermoedt, dat er de komende jaren in het ergste geval vijfduizend mensen ziek zullen worden, maar het kunnen er vijftienduizend zijn. Hij baseert deze getallen op het feit dat in Engeland vóór 1996 een miljoen BSE-koeien in de voedselketen terecht zijn gekomen. In deze periode heeft Nederland veel Engels vlees geïmporteerd, wellicht tien procent van de totale Engelse vleesexport. Het ID-Lelystad verwacht het komende jaar slechts enkele tientallen tot ruim honderd BSE-gevallen. Britse collega’s van Jansen schatten de situatie in Engeland de komende jaren op honderdvijftig- tot tweehonderdduizend zieke mensen.
De Engelse regering heeft er in eerste instantie alles aan gedaan om BSE te bagatelliseren en in de doofpot te stoppen. De consequenties van het volmondig onderkennen van de problemen waren dan ook niet mis: het vernietigen van zes miljoen dieren met een prijskaartje van dertig miljoen pond. Maar uiteindelijk kon men er niet meer omheen. Het is echter de vraag of men de juiste conclusies heeft getrokken. Door BSE vooral als een lastig politiek en economisch probleem te zien, is men niet alleen voorbijgegaan aan de omvang van dit probleem, maar ook aan de werkelijke oorzaak. De gangbare theorie is, dat het zogenaamde diermeel de oorzaak van BSE is. In dit meel zouden de resten van schapen zijn verwerkt die besmet waren met Scrapie – een aan BSE verwante ziekte. Hoewel het ID-Lelystad ervan uitgaat, dat de beendermeeltheorie genoegzaam is bewezen, is hier in de wetenschappelijke wereld alles behalve consensus over. Volgens de Rotterdamse hoogleraar virologie en BSE-expert prof. dr. A. Osterhaus, die tevens adviseur is voor de Europese Commissie, is de beendermeeltheorie niet bewezen. Ook de manier waarop de ziekte is ontstaan en hoe de Britse besmetting in de Nederlandse voerketen terecht is gekomen, is onduidelijk. Ondertussen wordt de beendermeeltheorie door vrijwel iedereen omarmd, wellicht ook om de consument gerust te stellen. Een mazzeltje voor de Engelse regering was, dat de media ook erg gesteld zijn op enge virussen en epidemische voorspellingen. Ook de Groenen en de vegetariërs konden zich in de beendermeeltheorie vinden, omdat zij hun kreet dat ‘koeien die tot kannibalen worden gemaakt niets dan narigheid brengen’ bevestigd zagen. En ten slotte konden ook het wetenschappelijk establishment en de farmaceutische industrie opgelucht ademhalen. De heksenjacht op een eng, dodelijk virus of prion staat nu eenmaal garant voor enorme fondsen. Bovendien was de aandacht afgeleid van de dubieuze rol die de farmaceutische industrie in dit Engelse koningsdrama heeft gespeeld. Even zou niemand zeuren over het feit, dat deze bedrijfstak decennia lang allerlei giftige chemische stoffen in de grond en in koeien had gepropt.
Maar niet iedereen rende blind achter de beendermeeltheorie aan. Een van de mensen die zelf op onderzoek uit ging, was wetenschapper en biologische boer Mark Purdey uit het Engelse Somerset. Hem was opgevallen, dat zijn dieren niet ziek werden, terwijl koeien die met Phosmet waren behandeld – een middel dat de Britse regering sinds 1982 verplicht had gesteld om een soort horzel te bestrijden – dit wél werden. Phosmet was destijds door de nazi’s ontwikkeld als chemisch wapen en wordt ook in verband gebracht met het Golfoorlog Syndroom bij militairen. Phosmet bevat ftalimide, een stof die chemisch sterk lijkt op thalidomide, dat in de zestiger jaren ernstige geboorteafwijkingen veroorzaakte. Dit gevaarlijke middel – gefabriceerd door de firma Zeneca – werd nu in hoge doseringen door de Engelse regering verplicht gesteld. Was het toevallig, dat Engeland niet alleen de grootste hoeveelheid Phosmet gebruikte, maar ook de meeste BSE-gevallen kende? En dat het andere land dat veel BSE-gevallen kende – Zwitserland – hetzelfde beleid hanteerde? Purdey volgde het BSE-spoor door heel Europa en zelfs tot in de Verenigde Staten (waar herten BSE-achtige verschijnselen vertoonden) en zag, dat de ziekte steeds gepaard ging met grote hoeveelheden pesticiden. In Slovakije vond hij clusters CJD in gebieden die benedenwinds organofosfaatfabrieken zijn gelegen en ook in de buurt van Milaan waar in 1976 een pesticidefabriek ontplofte. De bodemsamenstelling in deze gebieden vertoonde een hoge concentratie mangaan en een laag kopergehalte. Gefascineerd door Purdey’s onderzoek, besloot dr. David Brown, scheikundige aan de universiteit van Cambridge, de zaak te onderzoeken. Hij ontdekte, dat mangaan in staat is koper in herseneiwitten te vervangen, hetgeen – volgens Brown – de eiwitstructuren die BSE kenmerken kan veroorzaken. CJD en BSE lijken ook verdacht veel op de zogenaamde manganese madness, een ziekte die mangaanmijnwerkers in de eerste helft van deze eeuw trof. Omdat Purdey weigerde om zijn koeien met Phosmet te behandelen, werd hij in 1984 door het Britse ministerie van landbouw voor het gerecht gedaagd. Purdey won de zaak, omdat de horzels – zoals al langer gebeurde – ook organisch te bestrijden zijn. Dat Purdey wellicht op een goed spoor zat, bleek toen hij met het toedienen van oxine-injecties (een antistof tegen fosfaatvergiftiging) een met BSE besmette koe zag opknappen. Helaas kon hij zijn behandeling niet afmaken, daar de overheidsinspectie langskwam om het beest te vernietigen. Purdey begon zich af te vragen, of de ziekte wel van dier op mens werd overgedragen. Zouden de grote hoeveelheden pesticiden zo langzamerhand niet alleen bij dieren, maar ook bij mensen hun tol vragen?
Purdey’s bevindingen waren geen goed nieuws voor de farmaceutische industrie, die een tegenaanval inzette. De National Office of Animal Health (NOAH), een lobbygroep die de Britse diergeneeskunde-industrie representeert (onder andere Bayer, Monsanto, Novartis, Pfizer, Roche, Schering-Plough en Intervet) publiceerde documenten die het werk van Purdey in discrediet moesten brengen. NOAH stelde bovendien een onafhankelijk onderzoek in. Helaas bleek hun ‘onafhankelijke expert’, dr. David Ray, voor zijn onderzoek geld te ontvangen van Zeneca. Toch vond Ray dat ‘dit zijn oordeel niet had beïnvloed. U mag het geloven of niet, maar toen ik het onderzoek deed, realiseerde ik mij niet dat het Zeneca was dat Phosmet produceerde.’ Om het allemaal nog absurder te maken, verkoos Ray om een ander organofosfaat te testen, namelijk DFP. De effecten van Phosmet zijn dus nog nooit onderzocht. In maart 1996, een week voordat de Britse regering toegaf dat er wel eens een verband kon bestaan tussen BSE en CJD, ‘verkocht’ Zeneca zijn patent op Phosmet aan een voorheen niet bestaand postorderbedrijf ergens in de woestijn van Arizona. In de woorden van Ray: ‘Zeneca wordt liever niet voor de rechter gesleept.’ Als het zo is, dat Phosmet BSE veroorzaakt, is het duidelijk welke enorme consequenties dit zal hebben voor het wereldwijd gebruik van organofosfaten, om nog maar te zwijgen over de mogelijke schadeclaims. Volgens Purdey weet de regering wat er gaande is, maar houdt ze vast aan de beendermeeltheorie om de burger de indruk te geven, dat de zaak onder controle is. Is Purdey paranoïde? Wie zal het zeggen? Het is echter veelbetekenend, dat het Britse ministerie van landbouw weigert om Purdey’s theorie serieus te onderzoeken, dit in tegenstelling tot hun ferme belofte dat ‘iedereen die een plausibele verklaring heeft voor het ontstaan van BSE in aanmerking komt voor overheidssubsidie’.
Purdey’s theorie is niet de enige alternatieve theorie en misschien wel niet de sterkste. Er blijven genoeg vragen over, zoals hoe het mogelijk is, dat een gifstof een ziekte veroorzaakt die besmettelijk is. Een toxisch middel kan zichzelf nu eenmaal niet vermenigvuldigen. Het feit dat CJD overdraagbaar is op proefdieren, duidt op een virusachtig verschijnsel. Het interessante van Purdey’s theorie is echter, dat het de zaak in een breder perspectief zet. De bestrijdingsmiddelen, antibiotica en erbarmelijke omstandigheden waar dieren dagelijks mee te maken hebben, kunnen niet anders dan vroeg of laat ernstige ziekten veroorzaken. Door BSE snel even op te lossen met het vernietigen van de veestapel en verplichte snelle tests, zijn we niet van onze problemen af. We zullen onder ogen moeten zien, dat de huidige bio-industrie beesten ziek maakt. Tijdens een persconferentie die onlangs werd georganiseerd door het ID-Lelystad, werd begonnen met een compliment aan de pers: ‘Door uw manier van bericht geven, is er geen hype ontstaan, zoals in veel andere landen.’ Inderdaad: de laatste cijfers wijzen uit, dat de rundvleesconsumptie in Duitsland met vijftig procent is gedaald, in Italië met veertig procent en in Frankrijk met vijfentwintig procent. De vraag is echter, of onze Hollandse nuchterheid in dit geval wel zo slim is. In feite kan niemand de gevolgen overzien. Toen ik na afloop van de rondleiding door het ID-Lelystad vroeg hoe veilig gelatine eigenlijk is (gelatine is van beenderen gemaakt en zit in alle mogelijke voedingsproducten, van koekjes en toetjes tot brood, soepen en sauzen), lag het antwoord voor de hand: ‘De productie van gelatine moet aan strenge voorschriften voldoen, er worden maatregelen getroffen en er zit maar een klein beetje gemalen botten in het uiteindelijke product.’ Het stelt niet gerust. Zolang media en politiek achter een theorie aanrennen die nog niet afdoende is bewezen en zolang de testen niet waterdicht zijn, is er alle reden tot gezond wantrouwen. Het is nu eenmaal ‘aantrekkelijk’ als BSE wordt veroorzaakt door een virus – in dit geval een prion – dat met farmaceutische middelen kan worden bestreden. Zo’n ziekte betekent dus omzet voor de farmaceutische industrie. Net zo goed als de chemische landbouw omzet betekent voor de chemische industrie. Andersom is het voor het bedrijfsleven niet aantrekkelijk als er een relatie zou worden bewezen tussen BSE en het gebruik van bestrijdingsmiddelen in de landbouw. Er spelen grote belangen. Het zou een gemiste kans zijn als die belangen een heldere reflectie op de vleesindustrie in de weg staan. Want BSE is hoe dan ook een boodschap voor de moderne samenleving.